|

|
|
De Straten en Stegen
Beurdsestraat en Weversplaats
|
Beurdsestraat
De
Beurdsestraat dankt haar naam aan
het oude perceel 'Die Beurde'.
Vermoedelijk was dat een stukje
polder. Beurde betekende overigens
zowel beurs als mand. Het is
mogelijk dat er ooit iemand op of
bij het terrein gewoond heeft die
daar het geschikte hout vond om
manden van te maken. Feit is wel dat
een Bossche familie Van Beurden haar
naam dankt aan dit stuk land, dat
ook wel 'Die Boerde' genoemd werd.
Boerde staat voor grap, daar is
verder weinig uit op te maken.
Maar onze straat had ook wel iets
van doen met het uitgebreide
lakenbedrijf van de stad. Want op de
hoek Beurdsestraat - Kemelsharenhoek
(ook kamelenhaar werd in de
lakenweverij gebruikt) stond al in
1369 de Barbara- of Weverskapel. Een
beeld van St. Barbara prijkte in een
nis aan de voorgevel. Genoemde hoek
had nog twee andere namen: 'Prijckershoek'
en 'Oude Huls' op deze laatste naam
komen wij in het volgende artikel
terug. Van de kapel zou nog veel
verteld kunnen worden. Na haar
opheffing als zodanig heeft zij o.m.
dienst gedaan als cavaleriestal,
pakhuis en turfschuur. Ook werden er
ooit krijgsgevangenen in opgesloten.
In 1900 werd zij afgebroken.
De straat telde eens drie
bejaardentehuizen: de gasthuizen
van Mierden voor 13 oude mannen, dat
van Agnes van den Broek voor 7 tot 9
oude vrouwen en het Heuvels gasthuis
voor 12 oude vrouwen.
|
In die tijd, aan het einde van de
veertiende eeuw, trok het
Mirakelbeeld uit de Sint-Jan door de
door ziekte getroffen stad.
Sedertdien ruim zes eeuwen trekt
jaarlijks de Maria-omgang door de
Bossche straten.
De Beurdsestraat is de eerste straat
geweest waar de bewoners tijdens de
Omgang Mariabeeldjes met kaarsen en
bloemen voor de ramen zetten. Het
was een mooie brede straat met goede
huizen. Maar het moest weer worden
afgebroken. Alles verdween zelfs
die prachtige steen die een
herinnering was aan de Omgang. Hij
is nog steeds zoek.
Tot voor veertig jaar stonden hier
huizen in de Beurdsestraat waarin
een hechte gemeenschap woonde.
Bosschenaren die bijzonder
betrokken waren bij de Mariaviering
in hun stad. Als hier in de buurt de
Omgang trok werd er die morgen hard
gewerkt. In alle vroegte werd dan de
straat geschrobd er kwam schoon wit
zand overheen. Ter ere van Maria
werden er gekleurde snippers papier
overheen gestrooid.
De bewoners van de Beurdsestraat
zijn ook als eerste begonnen met het
plaatsen van Mariabeeldjes tijdens
de omgang voor de ramen. Deze
beelden werden dan versierd met
bloemen en kaarsen. De versiering
werd zelfs zo ver uitgebreid dat
het gehele huis in feesttooi was
gehuld. De Bossche krant van 7 juni
1916 bevat dan ook een oproep aan
alle Bosschenaren langs de Beeweg
om hun huizen te versieren. |
|
De krant
meldt 'Een prachtig voorbeeld is
reeds gegeven. De bewoners van de Beurdschestraat de eersten die er
toe overgingen om hun huizen te
sieren ter gelegenheid van den
Ommegang welke feit vereeuwigd is
geworden door het aanbrengen van een
gedenksteen hebben reeds de handen
in elkaar geslagen om dit jaar hun
groter opgezet plan uit te voeren.'
Als nu de Mariastoet trekt (op de
eerste zondag in mei om 18:00 uur)
zijn er meer huizen langs de Beeweg
waar een Mariabeeldje met een
kaarsje te zien is.
Deze liefde voor Maria hebben de
bewoners van de Beurdsestraat (en
ook Bandsepoort, Kemelsharenhoek,
Oude Hulst) ook uitdragen 1948 toen
zij gezamenlijk zeventien keer in
het Casino het toneelstuk Bosch'
Marieke opvoerden. Maar de huizen
bleken in de vijftiger jaren niet
meer geschikt voor twintigste eeuwse
bewoning. Aan de restauratie werd in
het geheel toen niet gedacht. De
huizen werden gesloopt en de
bewoners gingen verspreid over de
gehele stad wonen. Na jarenlange
kaalslag werden er aan het eind van
de jaren zeventig plannen voor
nieuwbouw gemaakt. In 1980 was de
noordzijde van de straat weer
gedeeltelijk herbouwd.
Volderstraat en Voldersgat
|
|
Bij de
overgang van de Verwersstraat met de
Oude Dieze ligt het Volderstraatje.
De oudst bekende naam van het
Volderstraatje uit de middeleeuwen
was 'dat enge straetken'. Het
straatje dankt zijn naam aan de hier
beoefende wollen lakenindustrie. In
dit geval duidde dit op het bedrijf
der lakenvolders of
lakenvoorbereiders. Als de
lakenververs in de Verwersstraat hun
wollen lakens na het verven gedroogd
hadden gingen zij daarmee door het
Volderstraatje naar het Voldersgat.
Daar in het open water bij de Grote
Hekel stonden de volders klaar. De
lakens werden dan gevold, dat wil
zeggen terdege gespoeld, waardoor de
stof dichter voller werd. Het werk
van deze wolbereiders bij de
Voldersbrug en de Volderstrappen
veroorzaakte zo veel schuim op het
water dat het Volderstraatje in de
volksmond de bijnaam kreeg van Scumenoirde (Schuimoord). De plek
van werken van een lakenvolder werd
ook wel 'vollerie' genoemd.
Bij het bruggetje over de
Binnendieze (Verwersstroom) bevinden
zich drie steunbogen. Het gedeelte
vanaf de Verwersstraat tot aan het
bruggetje behoort tot het
middeleeuwse stratenpatroon. Van de
middeleeuwse perceelsindeling en het
rooilijnenbeloop zijn restanten
aanwezig. Het laatste gedeelte van
het straatje nabij de Zuidwal is via
een trap sterk oplopend. Het
Volderstraatje heeft ook een
verbinding met de Beurdsepoort. Het
huis op de hoek
Volderstraatje en Oude Dieze heette
aanvankelijk 't Cofferen en later De
Boerendans.
|
Rond 1883 was de Amalia-bewaarschool er gevestigd,
voor kinderen 'uit den arbeidenden
stand'. In 1993 kwam het
Amadeirohuis van de Oeteldonkse Club
erin nu heeft het een
woonbestemming.
Oud Bogardenstraatje
Midden in een wijk die in de late
middeleeuwen het centrum was van de
lakenindustrie leefde een kleine
typisch middeleeuwse
kloostergemeenschap de Bogarden.
Een stil zijsteegje van de
Verwersstraat het Oud
Bogardenstraatje herinnert eraan
dat zij in deze buurt hebben geleefd
en gewerkt. Bogarden of begarden
waren vrome mannen die naar het
voorbeeld van de begijnen in de 13e
eeuw gezamenlijk leefden en zich
toelegden op gebed innerlijk leven
en handenarbeid. In het begin van de
veertiende eeuw in 1309 ontstond
er een godsdienstige vereniging voor
jongemannen. Bogarden die geen
kloosterhabijt droegen maar een
genootschap vormden dat door
handenarbeid de kost verdiende en
een godsdienstig leven wilde leiden.
|
Door het weven van lakense stoffen
wilden zij in hun onderhoud voorzien.
Misschien daarom ook
kochten zij een huis in de
Verwersstraat ongeveer op de plaats
van het huidige Noord-Brabants
Museum en bestempelden het tot
klooster waar de
lakennijverheid geconcentreerd was.
Dit huis bevond zich toen nog buiten
de veilig muren van de vestingstad.
In 1439 gingen de Bogarden leven
volgens de derde orde van St.
Franciscus. Een aantal van hen wilde
nog verder gaan en deel uitmaken van
een echte kloosterorde. In 1466
verzocht een aantal Bogarden aan de
bisschop van Luik of aansluiten bij
de orde van de Kruisheren mogelijk
was. Dit stond de bisschop toe en
acht Bogarden traden bij de
Kruisheren in. Maar zij bleven in
het bestaand kloostertje wonen. Dit
leidde tot sterke onenigheid met de
overgebleven acht Bogarden over wie
nu de eigenlijke eigenaar van het
klooster was de Bogarden of de
Kruisheren? Paus Paulus II besliste
in 1469 in het voordeel van de
Bogarden. De kruisheren moesten het
pand verlaten.
In 1470 sloten de Bogarden een
overeenkomst met het Gilde van de
Linnenwevers over hun werkzaamheden
in de lakennijverheid en de relatie
met de ambachtslieden. Kloosters
bezaten namelijk vrijheid van het
betalen van accijnzen hetgeen tot
concurrentie met de ambachtsgilden
leidde. De Bogarden sloten deze
overeenkomst om moeilijkheden te
voorkomen.
|
|
Er werd een
bedrag van drie pond per jaar
betaald door de Bogarden waarvoor ze toestemming kregen om acht
weefgetouwen in het klooster te plaatsen.
In 1515 werd het weven door de
Bogarden verboden door het Bossche
stadsbestuur. In de jaren daarna
treedt het verval van het klooster
in. Er kwamen geen nieuwe Bogarden
meer en het aantal leden daalde. In
1585 waren er nog maar twee van wie
er één in het klooster zelf woonde.
In dat jaar gaf paus Sixtus V
toestemming aan de Rosmalense
zusters van het klooster St.-Anneborch
om het onveilige platteland te
verlaten en zich in het
Bogardenklooster te vestigen. In
1587 gebeurde dat daadwerkelijk en
waren er na tweeëneen halve eeuw
geen Bogarden meer.
In 1609 vestigden zich in het
klooster van de Bogarden de
Jezuïeten. Toen deze in 1629
verdwenen kwam de militaire
gouverneur van de stad in het
complex wonen. Eind 18e eeuw is het
geheel verbouwd tot het gouvernement
zoals wij dat nu kennen. Opnieuw
wordt er gebouwd nu ten behoeve van
de huisvesting van het Noordbrabants
Museum. Aan de Bogarden herinnert
ons nog het Oud Bogardenstraatje
een klein zijstraatje van de
Verwersstraat
Paradijstraatje
Het Paradijsstraatje is een zijsteegje van de Verwersstraat tussen de
nummers 53 en 55. Volgens Van Dale betekent het paradijs 'De verblijfplaats
van het eerste mensenpaar de hof van Eden'. De 'Dikke' vervolgt (figuurlijk)
'Een verblijfplaats van uitzonderlijke bekoorlijkheid en lieflijkheid'.
|
|
Volgens het woordenboek heeft
'paradijs' bouwkundig nog de
betekenis van een voorportaal of van
een hof voor of opzij van een kerk
soms kerkhof. Verder is een paradijs
het synoniem van een engelenbak de
bovenste rij zitplaatsen de hoogste
en goedkoopste rang in een
schouwburg. In veldnamen komt
Paradijs (naast Hemel en Hemelrijk)
wel eens voor als naam van een
bijzonder vruchtbaar perceel of
juist ironisch bedoeld van uitermate
slechte grond (M. Schönfeld,
Veldnamen in Nederland 1950). In
's-Hertogenbosch komt Paradijs als
huisnaam regelmatig voor. Panden aan
de Markt, Schapenmarkt en
Orthenstraat hebben deze naam
gedragen.
Tegenwoordig loopt het
Paradijsstraatje dood op een
voormalig transformatorhuisje dat
gebouwd is op een toog van de
Verwersstroom. Vroeger liep het
Paradijsstraatje nog verder door met
een uitloper naar links. Achter het straatje lag in de middeleeuwen het bogardenklooster (1309 -
1588) in 1613 kochten de jezuïeten het complex en bouwden er hun
jezuïetenklooster later kwam daar het Gouvernementspaleis nu staat het
Noord-Brabants Museum er. Het kan zijn dat de naam Paradijsstraatje gebruikt
is als toepassing van 'voorportaal van een kerk/klooster'.
Bijna aan het einde van het straatje is een zijsteegje dat afgesloten is met
een houten spijlenpoort. Er
hangt een particulier
straatnaambordje: H vd
Bouhuysensteeg Geestelijk Vader.
|
Weversplaats en Oude Hulst
De
naam Weversplaats spreekt voor zich,
daar woonden eens de wevers. Het was
overigens wel een straat met
straatjes men vond er de Berenbijt,
de Bandsepoort, de Boonengang, het
Rioolstraatje, Achter het Lam, het
Plaatsje van Jeggie en de Mortel. In
deze wijk waren 19 water- en
vuurhuizen. Die vond men in alle
volksbuurten en daar niet alleen
ook de Hinthamerstraat bijvoorbeeld
kende ze.
Ofschoon de mensen er allesbehalve
rijk waren leefden ze toch veel
gezelliger menselijker gelukkiger
dan tegenwoordig dikwijls het geval
is. Wij weten nog dat men op de
Wevers plaats bij goed weer 's
avonds om een lantaarnpaal ging
zitten kaarten. Maar zelden werd het
spel vóór twee uur in de nacht
beëindigd. Ook hier werden tijdens
de Omgang in ruime mate versieringen
aangebracht.
|
De straat heeft met deze hele
wijk evenals andere Bossche
volksbuurten ook altijd blijk
gegeven van grote gemeenschapszin.
Dat kwam vooral tot uiting in het
jaar 1947 bij de maar liefst 35
uitvoeringen van 'Bosch Marieke'
het ontroerende echt Bossche
volksspel dat Tom Brouns schreef.
Herman Moerkerk ontwierp de decors
die door Jan Sonneborn werden
geschilderd. Kees Spierings was de
regisseur. Het werd door de bewoners
van de wijk gespeeld we kunnen
zeggen dat het stuk hen op het lijkt
geschreven was. Meerdere nooit
vermoede talenten doken op. Het werd
een enorm succes. Heel Den Bosch
heeft er van genoten maar ook velen
van buiten de stad. Waar deze straat
omhoog ging naar de stadswal
veranderde zij van naam het werd De
Oude Hulst. De Beurdsestraat kreeg
waar zij begon te stegen ook
diezelfde naam. Een naam die
overigens in Den Bosch
meer voorkwam bij straten die
uitliepen op de wallen Huls of Hille betekent hoogte. Omdat het
woord 'oude' tweemaal gekoppeld
wordt aan Huls of Hulst vermoeden
wij dat die opritten naar de
vestingmuren er dikwijls eerder zijn
geweest dan de thans daarop
aansluitende straten.
Tegenwoordig zie je aan de Oude
Hulst vrijwel niets dan achtergevels
en achteruitgangen. Vroeger was het
onderdeel van een levendige
volksbuurt. In de middeleeuwen was
de Oude Hulst
veel langer, de St.-Jorisstraat en
Weversplaats maakten er toen deel
van uit.
|
|
De oudste vermelding staat
in een schepenakte van 13 mei 1305. De benaming Oude Hulst doet
verwachten dat er ook een Nieuwe
Hulst is maar daar is nergens sprake
van. In de schepenbrieven van het
Bosch Protocol (1366 - 1811) wordt
die lange straat aangeduid met Huls,
Hulsstraat, Heulstraat, Aldenhuls en
Hoelstraat maar het gaat steeds om
dezelfde straat die we nu kennen als
Oude Hulst. Opvallend is dat in alle
oude vermeldingen de naam geen -t
heeft. Volgens het Etymologisch
Woordenboek is deze -t een latere
toevoeging.
Waar komt de naam Oude Hulst nu
vandaan? Marcel van der Heijden
lijkt het de meest waarschijnlijke
hypothese dat onze Bossche Huls
terug te voeren is naar hulst als
naam van de struik als ondergroei in
oude loofbossen. Jos van der Vaart
geeft aan dat huls of hoel in
verband kan staan met 'hol' dat
drassig en week betekent. 'Hol' en
'hul' komen ook voor in samenhang
met hellingen en hoogten en voor een
plateautje, dat zich boven het
omringende stroomland verheft.
Mogelijk is huls of hoel afkomstig
van 'holt' een oude vorm voor hout
(= bos). De naam duidt dan op een
oud akkercomplex dat gewonnen is op
een bosterrein. Allemaal mogelijke
verklaringen van de straatnaam Oude
Hulst.
|
|
Bronnen, noten en/of referenties:
Straat in Straat uit (1984)
's-Hertogenbosch van straet tot stroom (2006)
Stadsblad door Ed Hupkens
Erfgoed 's-Hertogenbosch |
|
|
|
Foto's
copyright
©
bij groetenuitdenbosch.nl |
|
|