Stadswandeling

 Geschiedenis

 Binnendieze

 Sint-Janskathedraal

 's-Hertogenbosch

 Straten en Stegen

  De Markt

  Pensmarkt

  Schapenmarkt

  Hooge Steenweg en Karrenstraat

  Fonteinstraat en Ridderstraat

  Lombardje

  Verwersstraat

  Prins Bernhardstraat en Keizerstraat

  Beurdsestraat en Weversplaats

  Korte – Lange Putstraat

  Kerkstraat en Gasselstraat

  Parade en Peperstraat

  Papenhulst en Nachtegaalslaantje

  Clarastraat en Choorstraat

  Bethaniëstraat en Sint Jacobshof

  Baselaarsstraat en Hekellaan

  Gasthuisstraat en Rozemarijnstraat

  Hinthamerstraat

  Sint Josephstraat en Nieuwstraat

  Schilderstraat en Louwse Poort

  Hinthamereinde en Zuid-Willemsvaart

  Tolburgwijk en GZG terrein

  Orthenstraat en Jan Heinsstraat

  Barbaraplaats en Sint Geertruikerkhof

  Visstraat en Binnenhaven

  Lepelstraat en Sint Jansstraat

  Molenstraat en Omgeving

  De Uilenburg

  Postelstraat en Kruisstraat

  Snellestraat en Minderbroedersstraat

  Vughterstraat

  Berewoutstraat en Westwal

  Kruisbroedershof en omgeving

  Tilmanshof en Kuipertjeswal

  Sint Jorisstraat en Spinhuiswal

 Vestingstad in het groen

 Bossche wijken

 Oeteldonk

 Evenementen


 

       

De Straten en Stegen

Baselaarsstraat en Hekellaan

           

Baselaarsstraat

  

De Baselaarsstraat verbindt de Windmolenbergstraat met de Bethaniestraat. De straatnaam herinnert aan het Baselaarsklooster dat eeuwenlang aan het Sint-Jacobskerkhof heeft gelegen. Rond 1200 vestigden enkele heremieten (kluizenaars) uit Heesch zich op een zanddonk. Deze hoogte was buiten de stadsmuren gelegen langs de weg naar Den Dungen tussen de huidige Sluizen 0 en 1 van de Zuid-Willemsvaart. De officiële naam van dit mannenconvent luidde Porta Coeli (Hemelse Poort). Meestal sprak men echter van Baseldonk of Baselaarsklooster naar de naam van de stichter Winaldus van Basel. In 1244 of 1245 sloot deze vestiging zich aan bij de orde van de wilhelmieten, zo genoemd naar hun patroon Wilhelmus van

Malavalle (overleden 1157). Hoewel begonnen als kluizenaarsgemeenschap met een strenge levenswijze bereikten de wilhelmieten een redelijk grote welstand. Aan deze woongemeenschap kwam in 1545 een einde toen de autoriteiten het bevel gaven alle kloostergebouwen tot de grond toe af te breken. Zij wilden voorkomen dat de in Brabant rondtrekkende Gelderse benden van Maarten van Rossum de gebouwen als verschansing en steunpunt zouden kunnen gebruiken. Nu vestigden de 'baselaars' zich onder de energieke leiding van prior Simon Pelgrom binnen de stadswallen op een gedeeltelijk onbebouwd terrein aan het Sint-Jacobskerkhof. De kloosterkerk werd in 1549 gewijd. Ook hier stond het bekend als een klein maar rijk convent. Pelgrom maakte naam als geschiedschrijver over de oorsprong van 's-Hertogenbosch. Het klooster werd tijdens de Beeldenstorm in 1566 twee keer geplunderd. In 1629 moesten ook de baselaars de stad verlaten de wilhelmietenorde als geheel hield in de negentiende eeuw op te bestaan.
Een kaart uit 1630 geeft de kloostergebouwen het pandhof en de éénbeukige kerk ket driezijdi gesloten koor weer. Naast het pandhof bevond zich een grote binnenplaats omgeving door bebouwing. Bij graafwerkzaamheden in 1981 zijn de zware fundamenten van de kerk zonder onderzoek en documentatie gesloopt.

In de Baselaarsstraat staat een groep van vijf vrijstaande in detaillering identieke woningen. Deze markante huizen zijn merkwaardig geproportioneerd door de hoge maar tevens ondiepe vorm die ze hebben. Dat komt omdat de ter beschikking gestelde bouwstrook heel smal was. De woningen zijn ontworpen door de architect J.J. van Dillen dateren uit 1933 en zijn functionalistisch van vormgeving. De stijl wordt het 'Nieuwe Bouwen' genoemd de huizen waren bestemd voor medewerkers van Reinier van Arkel. De voorgevels zijn hoog opgaand gemetseld de lessenaardaken zijn sterk hellend. De achtergevels zijn blind omdat ze tevens een functie hebben als onderdeel van de ommuring van het achtergelegen terrein van het Psychiatrisch Ziekenhuis Reinier van Arkel. Daarom waren er in de achtergevels geen ramen toegestaan. Alleen op zolder was één klein raampje met tralies ervoor. Dit verklaart ook de hoge tuinmuren. Boven de voordeuren en balkons bevinden zich polychroom geglazuurde reliëfs met onder meer een zonnebloem (2), uil (4), bloem (6), Heilige Geest (8) en een franse lelie (10). Huis nummer 2 diende oorspronkelijk als woning voor de architect die de omlopende hoekbewoning aan de Bethaniestraat als kantoorruimte voor zichzelf ontwierp.

      

Van Sasse van Ysseltstraat

  

De nog niet zo lang bestaande Van Sasse van Ysseltstraat dankt haar naam aan de meest bekende Bossche geschiedschrijver van de latere tijd, jhr.mr. A.F.O. Van Sasse van Ysselt auteur o.m. van het veel geraadpleegde driedelige werk 'De Voorname Huizen en Gebouwen van

's-Hertogenbosch'. Met deze naamgeving wordt hij dan ook zeer terecht geëerd. Intussen is de straat aangelegd op een gedeelte van de in de oorlog zwaar beschadigde en later afgebroken Diepstraatwijk. Ook hier is de aarde zeer van aanschijn veranderd. De Diepstraat zal haar naam te danken hebben aan het feit dat zij, lang en smal, nogal diep in de nu verdwenen volkswijk doordrong. Men kon door deze straat die begon bij Sluis 0 aan de Zuid-Willemsvaart het St. Jacobskerkhof bereiken. De Windmolenbergstraat aan het einde van de Hinthamerstraat leidde daar ook heen. Beide straten waren verbonden door een drietal steegjes namelijk De Krengelgang, De Uilenspiegel en De Roskam. Oorspronkelijk was er nog een vierde straatje De Stijfselpot Ook liep er nog een straatje dat van de Diepstraat naar de moestuinen langs de Hekellaan voerde.
Evenals in de Tolbrugwijk en de Weversplaats met omgeving en de Uilenburg woonde ook hier een aparte en hechte gemeenschap. De Bossche taal liet kleine verschillen horen, elke wijk had daar iets eigens in. En ook hier in deze kleurrijke buurt had ieder zijn bijnaam wij noemen er een paar Zilvernuske, Kouwvuutje, Mollen katje en de Preineus. Misschien was deze laatste naam toebedeeld aan een der tuinders die hier woonden. Wat wij ons ook nog altijd van de bewoners dezer wijk herinneren
is dat de mensen altijd netjes voor den dag kwamen.

Vooral als men 'de stad inging' was er extra zorg besteed aan kleding en kapsel. Dichtbij de Zuid-Willemsvaart stond in de Diepstraat het in 1361 door Jan Vinschot gestichte St. Antoniusgasthuis bestemd voor 6 oude vrouwen. Maar arme reizigers mochten er ook een of twee nachten verblijven. De eerste St. Antoniuskapel die daar in de buurt gebouwd werd heeft waarschijnlijk haar naam aan dit gasthuisje te danken. In 1612 kwamen ook de Capucijnen zich hier vestigen hun eerste klooster stond in de Diepstraat En wat de Van Sasse van Ysseltstraat zelf betreft ook zij is aan veranderingen niet ontkomen. Na de laatste uitbreiding van Antoniegaarde loopt de straat als het ware door het bejaardencentrum heen.

    

Windmolenstraat

  

We hebben inmiddels een interessant maar dikwijls moeilijk te ontwarren stadsgedeelte bereikt. Want de verschillende geschiedschrijvers hutselen Diepstraat, St. Jacobskerkhof, St. Jacobsstraat en Windmolenbergstraat dikwijls aardig door elkaar. Soms ook werd deze buurt in haar geheel

Windmolenbergstraat genoemd in die oude tijden. Want de naam om ons nu maar tot deze straatnaam te beperken is zeer oud en is in de loop der tijden dan ook nogal eens verbasterd dat liep via nog andere namen van Wiemelstraat tot Wijmelenbergstraat. De laatste bewoners noemden haar de Wijnbergstraat. Overigens had deze straat meer met 'wijnt' dan met wijn te maken want zij dankte haar naam aan een windmolen die achter Reinier van Arkel stond en vermoedelijk bij het Bethaniëklooster behoorde. Daarmee is de straatnaam voldoende verklaard. Had men echter de naam 'Straat der Gasthuizen' gebruikt dan zou die ook volkomen verantwoord geweest zijn want die stonden er maar liefst vijf het Aart Keijts gasthuis dat in 1393 voor 13 oude vrouwen gesticht was het Meelmans gasthuis uit 1400 voor 13 oude mannen het Jan van Sambeecks gasthuis eveneens voor 13 oude mannen dat dateert uit 1612 en dan nog de twee huizen door Hester van Griensven in 1651 gesticht één voor 15 arme mannen en één voor 7 arme vrouwen. Al die gasthuisjes zijn reeds lang verdwenen maar de grafzerk van Hester kunt u nog altijd in de StJanskerk vinden.
Van de Windmolenbergstraat is overigens nog maar een klein gedeelte aanwezig namelijk dat wat aan het einde der Hinthamerstraat begint en verder langs de zijgevels van Reinier van Arkelloopt. Toch heeft de straat nog in onze tijd een zijstraat gekregen en dat is dan de Van Sasse van Ysseltstraat die naar de Hekellaan voert.

Hekellaan

  

Op plaatsen waar de Dommel en de Aa de stad binnenkwamen werden in de late middeleeuwen in de vestingmuur waterpoorten gebouwd. Deze poorten werden 's nachts en in tijden van oorlog afgesloten door in de waterinlaatopening een balk of een boomstam neer te laten die vol geslagen was met scherpe ijzeren pinnen. Hierdoor kon niemand via een waterpoort de stad inkomen. Die balk met ijzeren pinnen werd een 'hekel' genoemd omdat die leek op een vlas- of hennephekel een houten blok met ijzeren pinnen. De stengels van het vlas of de hennep werden tussen die pinnen door getrokken om ze te ontdoen van ongerechtigheden voordat ze verder bewerkt werden tot linnen stoffen of touw. Van deze bewerking komt de uitdrukking 'over de hekel halen' vandaan.

Na verloop van tijd werd de betekenis van 'hekel' als een 'balk met pinnen' uitgebreid tot 'waterpoort' in zijn geheel. De Hekellaan is genoemd naar de Groote Hekel aan de Zuidwal. Oorspronkelijk kwam hier via drie waterinlaten de hoofdstroom van de Dommel de stad binnen. Al in 1399 wordt deze hekel in de stadsrekeningen De Drie Heeckelen genoemd. Halverwege de 19e eeuw werd in verband met veiligheidsoverwegingen één waterinlaatboog dichtgemetseld en kreeg de waterpoort de naam Groote Hekel. Dit ter onderscheiding van de Kleine Hekel waardoor de rivier de Aa de stad binnenstroomde ter hoogte van Sluis 0. In 1885 werd bij de Groote Hekel een stoomgemaal het 'watermasjien' gebouwd. Daarna was het gedaan met de overlast van de jaarlijks terugkerende overstromingen in

's-Hertogenbosch.

      

De Vestingwet van 1874 gaf vestingsteden de ruimte om stadsmuren te slopen en wallen te effenen. Dat gebeurde ook in 's-Hertogenbosch maar omdat de muren en wallen hier ook een waterkerende functie hebben werden ze niet allemaal afgebroken. De stad kwam met plannen om de 'walgangen' achter de stadsmuren te vervangen door bredere wegen en parken. Na gedeeltelijke afbraak van muur en wal zijn aan het einde van de 19e eeuw de plantsoenachtige lanen langs de gehele zuidelijke stadsrand aangelegd met parkaanleg op de bastions

Oranje, Baselaar en St.-Anthonis. De Bossche bevolking sprak van 'de Wandeling'. Men kwam er flaneren naar muziekconcerten luisteren en naar theateropvoeringen kijken. Of een glaasje drinken op het terras van Paviljoen Albers. Met name het tussen 1880-1890 door tuinarchitect J.M. Maréchal aangelegde park op Bastion Baselaar was geliefd. Het gedeelte tussen de Grote Hekel en Bastion Baselaar kreeg de naam Groote Hekellaan terwijl het stuk tussen dit bastion en de Zuid-Willemsvaart de Kleine Hekellaan genoemd werd. Het deel tussen Casinotuin en Bastion Baselaar noemde men 'het Plantsoen'. De bewaking van het Plantsoen was opgedragen aan zogeheten walagenten. Tientallen jaren bleven deze lanen een landelijk karakter behouden. Aan de stadskant lagen de grote warmoezen, de tuinderijen die de stad ook in oorlogstijd van voedsel voorzagen. Het eerste gebouw was de Rijks-HBS (1905). Pas in de twintiger en dertiger jaren van de vorige eeuw maakten de warmoezen plaats voor huizen en straten. In 1931 werden de namen Groote Hekellaan en Kleine Hekellaan vervangen door één naam: Hekellaan.

        

  Straten en Stegen:EersteVorige14151718VolgendeLaatste

Bronnen, noten en/of referenties:
Straat in Straat uit (1984)
's-Hertogenbosch van straet tot stroom (2006)
Stadsblad door Ed Hupkens
Erfgoed 's-Hertogenbosch

home

Website informatieGastenboek

Foto's copyright © bij groetenuitdenbosch.nl