|
Berewoutstraat
De Berewoutstraat dankt haar naam
aan Arnout Berwout die uit een oud-adellijke Bossche familie voortkomt. De
familie had in de straat een zeer aanzienlijk huis dat via een gangetje met
een poort in de Vughterstraat uitkwam. De huizen de Witte Leers
(Vughterstraat 105) en de Drie Morianen (Vughterstraat 107) behoorden ook
toe aan de familie Berwout. Archeoloog Hans Janssen vond bij opgravingen in
2000 aan de Berewoutstraat een
|
|
onbekende eind 13e eeuw gedempte noord-zuid
lopende Diezetak. In het begin van de 14e eeuw is hierop een groot
patriciërshuis gebouwd. Tegen het
einde van diezelfde eeuw werd het
afgebroken en vervangen door een
aantal kleine huisjes.
Waarschijnlijk gaat het bij dit
patriciërshuis om het oudste
stadshuis van de familie Berwout.
Aan de andere kant van de
Berewoutstraat nabij de stadswal
stond gieterij de Clockgieterspoort
waar kleine klokken werden gegoten.
Oudste eigenaar ervan (rond 1480)
was meesterklokkengieter Gobelius
Moer compagnon van de beroemde
klokkengieter Geert van Wou. Een
latere eigenaar van dit gebouw was
Peter van Oldenburch de stadsbeul of
zoals hij zich noemde 'de meester
van den scherpe gerechte'. In 1733
was sprake van een complex bestaande
uit de Klokgieterspoort, drie
huisjes met tuinen, vijf andere
huisjes (de galerij genoemd) een
Berg (werf van een afgebroken molen
op Bastion Maria) en een daarop
staand huisje, de Klock genoemd.
Tien jaar later kocht de
stadsregering enkele van die huizen
op sloopte die en bouwde in 1744 aan
de oostkant van de straat de
Berewoutkazerne ter huisvesting van
384 manschappen van de artillerie.
De
straatnaam komt soms verbasterd voor
als Berberstraat. In akten uit 1567
en 1587 wordt de straat ook Aert
Berewoutstraat genoemd. Op 7
november 1615 werd vergunning
verleend aan Paul Ambrosius
|
van Gerwen voor de oprichting van een oliemolen aan de
Berewoutstraat nabij de stadswal. Begin 20e eeuw heeft de straat enkele
scholen gekend de Zustersschool, de Bijzondere Meisjesschool, de
Bewaarschool. Rond 1930 was in de straat een lagere school gevestigd de
'Berewoutschool' die te boek stond als de armenschool van de parochie St.-Cathrien.
Achter de Boogaard
Een drukke straat met
eenrichtingverkeer in de Bossche binnenstad. Geen bijzondere huizen lijken
het. Maar we nemen ditmaal toch een kijkje achter
|
de zuidelijke gevels van de
woonhuizen aan de straat Achter de
Boomgaard. Eens
stond er na de eerste uitbreiding
van de stad in 1318 een stadspoort
bij de Kuipertjeswal - Achter de
Boomgaard. Maar in de loop van de
veertiende eeuw werd ook een verder
gelegen stuk de Vughterdijk bij de
stad getrokken. Omstreeks 1400 kwam
er een nieuwe stadspoort ter hoogte
van het huidige Wilhelminaplein ook
bekend als 'Het Heetmanplein'.
In het begin van de veertiende eeuw
kregen 'de Jonge Schutters' buiten
de stadspoort de beschikking over
een eigen schietterrein een bogaard.
Uit welke periode precies de Bossche
schuttersgilden dateren is niet
bekend. De Jonge Schutters schoten
evenals De Oude Schuts met een
kruisboog. Op hun bogaard konden zij
zich hierin oefenen.
Bij het vergroten van de stad kwam
het schietterrein midden in de
bebouwde kom te liggen. Op zichzelf
was dat toch niet zo erg. Aan de
Vughterstraat bezat men een eigen
pand en de bogaard zelf strekte zich
uit tot aan de stadsmuur aan de
Westwal. In 1424 werden De Jonge
Schutters ernstig in hun bestaan
bedreigd. De Bossche schuttersgilden
waren naar 's-Gravenbrakel getrokken
in opdracht van de Brabantse hertog
om er deze stad van de Engelsen te
bevrijden.
Volgens de kronieken verloren bij
deze veldslag 700 Bosschenaren het
leven! De Oude en de Jonge Schuts
zijn toen
samen enige tijd één gilde
geweest. Jaren later
scheidden beide schuttersgilden zich weer.
|
|
In de loop
van de zestiende eeuw verloren de schuttersgilde langzamerhand hun
politietaken en vanaf 1567 werd de stad door een eigen garnizoen verdedigd.
Toch bleef de Jonge Schuts bestaan. In de achttiende eeuw werd hun bogaard
beschreven door de historieschrijver Van Heurn. „De boomgaard van de
schutterye van den Jongen Voetboog is op het Vuchtereinde even buiten de
Vuchterbinnenpoort gelegen”. Aan de Vughterdijk stond een behuizing van de
schutters, „achter gezegde gebouwen is een ruime plaats met bomen geplant
welke zich tot aan den wal uitstrekt waarvan die met een muur in welk een
poortje is afgescheiden wordt”.
In 1535 werd Floris van Egmond, graaf van Buren en Leerdam, heer van
Ysselstein, St.-Maartensdijk, Kranendonk, enz... die echter toch de bijnaam
'Fleurtje Dunbier' had koning van het gilde. Omstreeks 1800 werden de
schuttersgilden opgeheven. De stad verkocht de bogaard in 1803 aan Francois
Tret. Hij werd verplicht 'eens capitale huizinge' aan de Vughterdijk te
bouwen. In het straatje naar de wal toe kwamen ook huizen te staan zoals de
oudste kadastrale kaart van de stad uit ca. 1823 laat zien. Toen was de
bogaard achter de voorgevels reeds verdwenen.
Achter den Engel
|
|
Het
steegje 'Achter den Engel' bevindt
zich tussen Vughterstraat 201 en 203
én tussen Westwal 26 en 27. Het is
genoemd naar het hoekhuis 'De Engel'
Vughterstraat 201. Het huis op
nummer 203 dateert uit 1635 en
heette 'Sinte Anna' later werd het
'De Asbak'. Vanuit de Vughterstraat
is het eerste gedeelte van 'Achter
den Engel' een lage doorgang van
nauwelijks 170 cm hoog. Balken die
een houten vloer dragen zijn in het
zicht. De onderdoorgang is opgenomen
in de gevel van het huis dat boven
de doorgang is gebouwd. Het behoort
tot het middeleeuwse stratenpatroon.
Eeuwen lang was de Vughterstraat met
de Westwal verbonden via 'het
Engeltje' zoals het steegje meestal
genoemd werd. Tegenwoordig is een
vrije passage niet meer mogelijk. Na
enkele tientallen meters vanaf de
Vughterstraat verhindert een houten
poort een verdere doortocht. Aan de
zijde van de Westwal is een toog in
de gevel aangebracht. De eerste vijf
meters zijn hier overbouwd daarna
loop je tegen een ijzeren spijlenhek
aan. De bovenkant van het hekwerk is
versierd met een halve cirkel
plaatwerk waarin een engel met
bazuin is uitgesneden. Het
middengedeelte van 'Achter den
Engel' is geblokkeerd vanwege een
binnentuin met poorten. Een directe
verbinding tussen Vughterstraat en
Westwal is nog via het Katerstraatje
en Achter
de Bogaard mogelijk. Aan de kant van
de Westwal bevindt
zich
bij de ingang van het steegje
een rondeel in
|
de vestingmuur. Van hieruit heeft men naar
weerskanten een vrij zicht op de vestingmuur en de Stadsdommel
Katerstraatje
Tussen Vughterstraat 217 en
219 en tussen Westwal 32 en 32A bevindt zich het Katerstraatje. Het steegje
dankt zijn naam aan het hoekhuis 'De Swarte Kater' dat vroeger stond op de
plaats van Vughterstraat 219. Aan de gevel waren twee afbeeldingen van een
poes aangebracht. Het huidige
|
pand op nummer 219 is in 1906
gebouwd, nadat hier eerst een café
met bovenwoning had gestaan. De
gevel bevat elementen van
Jugendstil/Art Deco. De huidige
bewoner Simon Kuilenberg heeft op
een houten gevelsteen de oude
huisnaam teruggebracht. De woning
Vughterstraat 217 heet 'De Swarte
Bellaert'. Volgens Mosmans is een
bellaart de voorste koe van een
kudde die de bel om heeft.
Oorspronkelijk werd dit deel van de
straat Vughterdijk genoemd het
huisnummer 83 van deze oude
straataanduiding is nog goed
zichtbaar aanwezig. Ongeveer dertig
jaar geleden werd achter het huis
nummer 219 een grote beerput
gevonden. Halverwege het steegje
ligt een parkeerterreintje voor
auto's dat vanuit de Westwal
bereikbaar is. Qua bouwperiode
behoort het Katerstraatje tot het
middeleeuwse stratenpatroon. Het
Katerstraatje is met Achter de
Bogaard de enige vrije verbinding
tussen Vughterstraat en Westwal.
In 1964 had de gemeente het
Structuurplan aangenomen. De gehele
Binnendieze zou worden gedempt
eroverheen kwamen brede wegen zodat
het stadscentrum snel bereikt zou
kunnen worden. Als onderdeel van het
verkeerscirculatieplan wilde men een
brede weg aanleggen tussen de
Westwal en de Parklaan. Het pand 'De
Swarte Kater' zou worden gesloopt en
kon destijds alleen als 'sloophuur'
worden gehuurd. Het Structuurplan
ging uiteindelijk gelukkig niet
door. |
|
Achter de Bijenkorf
Het steegje Achter de
Bijenkorf was oorspronkelijk een verbindingsgangske tussen Vughterstraat 277
en 289 én Westwal 48G/48H en 49. Hoewel het straatje niet van middeleeuwse
oorsprong is
omdat dit gebied aan de Westwal
lange tijd onbebouwd bleef is het toch van historisch belang.
|
|
Vanaf de Westwal is het vrij
toegankelijk tegenwoordig loopt het daar dood op een binnenhofje
(nieuwbouw). Vanaf de Vughterstraat is het nog
wel herkenbaar
als
steegje maar is door middel van een
poort afgesloten. In contrast tot
wat in 's-Hertogenbosch gebruikelijk
is is dit steegje niet genoemd naar
een van de hoekhuizen maar naar het
historische pand 'De Bijekorf' dat
verderop in de Vughterstraat staat
op nummer 269/271. Dit gebouw heeft
een laag voorhuis en een hoog
achterhuis hetgeen typerend is voor
het laatmiddeleeuwse Bossche
burgerhuis. Bouwhistorici hebben
deze woning kunnen dateren op 1500
op basis van de laatgotische
sleutelstukken (dragers van de zware
moerbalken) met peerprofiel die
tijdens onderzoek in 1993 in de
zolderbalklaag van het achterhuis
zijn aangetroffen. Het pand
Vughterstraat 269/271 wordt van
nummer 273 gescheiden door een
smalle goot van één Bossche voet (=
28 centimeter) voor het opvangen van
het van de daken druipende
hemelwater. Een dergelijke druipgoot
(osendrup genoemd) was een algemeen
voorkomend iets in
's-Hertogenbosch rond 1500. De
middeleeuwse kelder heeft een
tongewelf. Mogelijk tot in de 18e
eeuw heeft de woning een houten
voorgevel gehad. De huidige stenen
klokgevel is 18e-eeuws. Omdat
vroeger sprake was van twee huizen
heeft het pand nu nog twee nummers.
|
|