|
's-Hertogenbosch was nog maar 11 jaar 'oud' of een deel van de Bosschenaren
beschikte al over een bijzonder voorrecht. In 1196 bezorgde hertog Hendrik I
zijn stad een flinke steun in de rug. Hij wist de Duitse keizer te bewegen
de mensen uit 'de nieuwe stad bij het bos' tolvrijheid op de Rijn te
verlenen. Dat was in die tijd zo ongeveer de belangrijkste handelsroute van
West-Europa. Al in 1271 vertoefden de Bosschenaren Tieleman van Aken en
Hendrik van 'Boleduk' in Londen. Ze kochten er grote hoeveelheden wol in.
Niet lang daarna werden lakens, messen, schoenen en spelden als vermaarde
producten van de Bossche nijverheid over de Oostzee, het Zwin en de Rijn
vervoerd.
|
 |
Omgekeerd brachten
kooplui uit alle windstreken goederen naar de hertogstad. Zo werd
's-Hertogenbosch ook een centrum van doorvoerhandel. Handelen leek de
Bosschenaar in het bloed te zitten. Hij was er bedreven in en bekend om. In
de 13e eeuw bezaten Bossche handelslieden al een handelsprivilege in het
verre Neurenberg. Daar werd eeuwenlang een van de grootste Duitse
jaarmarkten georganiseerd. De Bossche handelsman was vrijgesteld tot het
betalen van 'den |
hondersten penninck', een
soort omzetbelasting. Nog in het
begin van de 17e eeuw onderhield het Bossche stadsbestuur daarom
betrekkingen met de collega's in Neurenberg. Op de beroemde jaarmarkten van
Bergen op Zoom uit het begin van de 16e eeuw domineerden de kooplui van het
machtige Antwerpen en die van 's-Hertogenbosch. Aan die belangrijke
handelstraditie heeft de stad steeds vastgehouden. Geen wonder, dat de Markt
de bekendste en meest centrale plek van de oude hertogstad is gebleven.
|